//
je leest...
Eendagsvliegen & vertellingen

“WITROOD!”

Vertelling opgevoerd in april 2014 tijdens project ‘De Familie strijkt neer!’ in Maas – Ruimte voor kunst.

......

Ik ben in een randwijk geboren, zo’n labyrint van gelijkmatigheid. Een doolhof van ligusters waarin mijn gang zomaar gestopt kan worden in een weg die doodloopt. Ik hou niet van randwijken. Het lukte mij haar een paar keer te ontvluchten, tot ik telkens opnieuw in de worp van een boemerang gevangen bleek.

Ook mijn dagelijkse gang naar de bakker is niet meer dan een worp. Ik slinger mezelf via de achtertuin de poort door rechtsom,
– drie buurtuinen voorbij,
– nog een keer rechtsom (langs de blinde zijmuur van het eerste huis)
– naar de voorkant.
In deze huizenrij  is nummer 31 die van ons. Ik nader zachtjes tellend en kijk bij mezelf naar binnen. Als een voorbijgangster. Terloops. Eentje die niet aan de reeks van stenen voorbij kan gaan zonder dit rijtje voor zich uit te prevelen:
– ‘Wat uniek is aan de baksteen …
– … is haar veelvoud. Wat uniek is aan de baksteen is …
– haar veelvoud. Wat uniek is…’ In drieën!
Dat geeft me houvast. Alsof ik zelf een muurtje metsel.
......

Maar ik loop door en ik tel. Bijvoorbeeld die voortuintjes. Ondertussen ga ik met mijn blik over de ruiten en kies voor een groet of ‘t wegkijken. Binnen, weet ik, heerst het klapperen van een bordkartonnen deur tussen gang en keuken. In spiegelbeeld scheidt een dikke muur de afzonderlijke woningen van elkaar. Zo worden ruzies en liefdes aan het zicht onttrokken, maar spreken dof hoorbaar toch de verbeelding aan.
“Wat hebben we het toch goed!” riep buurman net nog toen ik zijn poort passeerde. Twee wit-rood gestreepte pilonnen hield hij onder de arm geklemd. “En dat moet ook vooral zo blijven!” riep hij er achteraan. Ik draaide me even om. Achter onze huizenrij was een parkeerplaats vrijgekomen. Precies in het midden daarvan zette hij zijn pilonnen neer. Ik knikte hem even toe en vervolgde mijn weg. Ik begrijp hem wel.
Of toch eigenlijk ook weer niet.

De buren verderop verenigen zich makkelijk, vooral in hun vensterbank-decoratie. Die op nummer 35 tonen drie identieke vazen met elk één bloem erin. En op 37 zweven de lamellen loodrecht één centimeter boven het raamkozijn. Kijk ik weer naar nummer 35, knikkebolt er inmiddels een plastic hondje op de tocht in het raampje van het toilet. Beide façades ogen als een eenheid. De beukenhaag ertussenin grenst het kadaster keurig af.



Voorjaar 1965. In de eerste Opel die ons gezin zich permitteren kan rijden wij, Pa en Ma voorin met drie kinderen op de achterbank, naar een plaatsje verderop. Het is zo’n typisch zondagmiddagbezoekje, dit keer aan een nieuwe randwijk die voorbij de dorpskern ligt. Het laatste stukje van de rit is nogal zoeken.
Maar ik ben de jongste en mag in ’t midden. Op de achterbank wiebel ik van onrust heen en weer. Ik heb een heel mooi uitzicht tussen de voorstoelen door en ik zie een links-rechts wegglijdende huizenrij met daarin van alles wat ik al ken:
– Bruynzeelkastjes in de keukens,
– een linnenkast op de overloop
– en okergele tegeltjes in de badcel! Net als bij ons. Ik weet het zeker.

Pa en Ma zijn opgetogen. Wij drieën op de achterbank natuurlijk ook.
“Papa!” roep ik ongeduldig. Ik wil iets vragen, hoewel ik nog niet weet wat. In ieder geval heb ik hoge nood. Papa geeft een klopje op mijn moeders knie, zegt vrolijk: “Ik denk dat ze hier net iets andere voordeuren hebben dan bij ons.” “Papa, hoezo?!”
Ik kijk uit naar de onbekende leeftijdsgenootjes met wie we onbesuisd verstoppertje zullen spelen. ‘Wie-niet-weg-is-is-gezien!’ fluister ik alvast. Dat zegt de teller straks op de overloop, een riedeltje waarmee hij ons als biljartballen uit elkaar zal stoten. Ik duik meestal de linnenkast in, juist op die overloop. Veel fijner dan met mijn neus tegen structuurbehang in de slaapkamerkast. Dan liever dichtbij die teller. Zo is mijn strategie. Ik zie het helemaal voor me.
“Papa, zijn we er al?!” Want dat is wat ik het allerliefste wil, er al zijn en spelen! “En ik weet ook hoe het aanbellen gaat, Papa!” Maar die rijdt door. Daarom bezweer ik al prevelend onze aankomst in een nieuw rijtje. Deze volgorde houd ik daarbij aan:
– Wij drietjes rennen gillend naar de voordeur.
– Papa buldert wat, drukt op het belletje.
– Mama tiktakt naar ons toe en schikt haar mantelpakje. En daar staan we dan!
Maar het is nog lang niet klaar. Er volgt nog een stilte waarin ik fluister: “Papa, waarom houdt iedereen zijn adem in?” Pas daarna gebeurt er daarbinnen iets: een fauteuil verschuift, voetstappen klinken, pantoffels dribbelen mee. En als tenslotte een paar roze gezichten zich tegen ‘t glas van de voordeur drukken, roep ik: “Daar zijn ze, Papa. Daar zijn ze dan!” En de deur zal opengaan.

Ik loop door en ik tel. Rijen stoeptegels probeer ik in een optelsom te vangen. Maar het wil niet zo lukken vandaag met tellen. Er is dat nabeeld op mijn netvlies. Van de buurman met zijn pilonnen op de parkeerplaats achter. Van die wit-rood gestreepte, net zoals de kleuren op een afzethek aan het einde van een opgebroken straat.

......Bijna op de plaats van bestemming rijdt mijn vader een straat in en trapt plotseling op de rem. Vijf hoofden stoten daarop naar voren. “Dit is nou het einde van de wereld!” … Probeert Papa een grapje? “Papa, waar IS dat Einde dan?!” Mijn vaders voet gaat van de rem. Hij kijkt even naar mijn moeder die haar handen om een handtasje op haar schoot klemt. Niets laat trouwens ook maar iets zien dat op een Einde lijkt, behalve een wit-rood afzethek over de weg die zomaar ophoudt. Daarachter een weilandje, zoiets hebben wij ook in onze wijk … “Strakjes vallen we nog van de rand!” Wat nu?! Probeert Mama ook al een grapje?! “Waar IS die rand dan Mama?!”
En ineens weet ik dat dit mijn dringende vraag is van zonet. Net zoals over Sint met zijn brandschone cadeautjes door de schoorsteen, ik snap het niet. Daarom wurm ik me tussen de rugleuningen door om een glimp van Het Einde op te vangen achter dat hek. Dat mijn vader juist dan hoekig keert, daar reken ik niet op. Opnieuw schiet ik naar voren en raak tussen mijn ouders als een wig beklemd: “Auw! Mama!” “Reus, kijk toch uit!”
Plotseling zijn Pa en Ma boos op elkaar. Ik had ook beter kunnen weten. Mama maakte tijdens onze ritjes nooit grapjes, angstig als ze is voor naderende bochten die ze hijgend buffert met dat handtasje op haar schoot. “Reus, haal dat kind daar weg!” “Nee Lies! Ik rij! Ik KEER OM!” Pa rukt aan het stuur. “Papa, heet het daarom randwijk hier?” probeer ik nog, “En hebben wij dat ook, zo’n Einde?” Maar Pa en Ma hakketakken over het juiste adres en ik heb hoge nood. “Pap! Mam!”

Ik herinner me hoe in drie stappen onze Opel weer goed stond, ik losschoot uit de voorstoelen en wij strak stonden van de spanning. In die tijd bekocht je de schrik nog met een ferme tik! En ja, ik weet nog hoe mijn vader uithaalde, een herinnering die ik het liefst bezweer. Dus ik prevel:
– ‘In die tijd bekocht je …
– … de schrik nog …
– met een ferme tik. In die tijd …’. Het geeft me houvast. Alsof ik er zelf eentje uitdeel.

Een half uur later dan gepland rennen we gillend naar een merkwaardige voordeur. Die is hier inderdaad een beetje anders dan bij ons. Net zoals Papa zei! “Wat is dat voor glas?” vraag ik met zweethandjes op een ruit waar ik niks doorheen zie. “Dat is matglas met ribbels. Haal je vieze vingers daar eens weg?! Je staat bij de verkeerde deur.” Mijn moeder tikt me op de vingers, bedremmeld trippel ik naar de deur ernaast. Eentje in spiegelbeeld en met hetzelfde glas. Eentje waarvoor iedereen al klaarstaat behalve ik. Mijn rijtje klopt niet meer …
Daarom belt mijn vader aan zonder te bulderen. Van schrik klem ik een hand tussen mijn benen. “Roos, haal die hand daar weg!” Als Mama dat zo zegt, dan moet het wel. Met samengetrokken bilspieren wacht ik verder. Het duurt ook zo vreselijk lang! “Papa, wanneer zijn ze er nou, achter die deur?!” Mijn moeder tilt streng één wenkbrauw op en het liefst verdween ik in het glas. Maar ik zie mezelf er niet in terug; geen ogen, neus of mond, geen asem op de ruit. Hoe moet ik hier straks roze gezichtjes op zien? Ik zoek naar een doorkijk langs de matglazen ribbels omlaag en daarna omhoog. Ik hou mijn adem in.
Wat doet een wit-met-rode plakzegel op deze deur? En wat voor lettertjes staan erin? De zegel kleeft daar akelig precies, alsof die er zo hoort. ‘Oh nee!’ kreun ik, ‘wit-rood! Alweer een Einde-van-de-Wereld.’ “Papa alsjeblieft, KEER OM!” Maar Papa zwijgt.
Mijn broer trekt nu een lelijk gezicht naar mij terwijl mijn zus een vinger onder de zegel plaatst: “VOOR HET GOEDE DOEL!” dreunt ze, alsof er niet Het Einde op zou staan. Ik keer me af, maar Mama draait me onmiddellijk terug. Mijn zus begint nu zelfs aan de zegel te peuteren en kijkt daarbij treiterig naar mij. “NIET DOEN!” gil ik. Dan haalt mijn vader opnieuw uit en ik laat alles lopen.

......

In de vreemd-vertrouwde badcel met gloednieuwe, okergele tegeltjes ging het zo:
“Waarom heb je niets schoons meegenomen Reus?”
“Het kind is zindelijk.”
“Niet!”
“Wel waar!”
“Niet Reus, nee. Kinderen onder de zes…”
“Dat was een ongelukje Lies!”
“JIJ sloeg haar net nog!”
“En jij moest zo nodig de weg niet weten!”
Driftig wreef mijn moeder een stukje karnemelk-zeep over een nat washandje tot het schuimde.
– ‘Kar-ne-melk …’ prevelde ik. In drieën. En ik probeerde nog, “Ik denk dat ze hier net iets andere zeep hebben dan bij ons … ,” maar Papa zweeg.

In het hart van elk huis vinden dergelijke gesprekken wel eens plaats, maar dit huis had een leeg hart. Want uitgerekend op de overloop ontbrak die linnenkast uit mijn eerste rijtje. Dat zag ik net nog, toen Mama me naar de badcel afvoerde en Papa met opgetrokken neusvleugels volgde.

Mijn nieuwe speelmakkertje bij de trap op de overloop zegt: “Die onderbroek is van mij. En je piste in je eigen. Waarom?” Tussen de badcel en een slaapkamertje in sta ik tegenover hem met mijn armen strak langs mijn zondagse plooirokje. Zijn onderbroek lubbert en hij doet stom. Daarom probeer ik hem af te leiden: “Dat kamertje daar lijkt op mijn broers kamer!” “Nietes!”
Ik weet zeker dat hij naar me kijkt, hoewel de jongen zelf niet echt te zien is. Hij heeft zich expres met zijn rug naar de zon opgesteld. Zo lijkt hij zelfs een beetje op mijn broer. Trouwens, alles lijkt hier op bij ons thuis, maar net een beetje anders. En sinds vandaag weet ik dat zoiets heel verraderlijk kan zijn. Want wit-met-rode afzethekken zijn eigenlijk poorten. Daarachter schuilt een Einde waarover iedereen grapjes maakt, die ruzies worden als je omkeert! Wit-met-rode afzethekken waarover Mama altijd zei dat we erachter veilig konden spelen. Misschien wilde ze van ons af, ‘Oh nee,’ kreun ik.
“Zei je iets?!” roept de jongen. Misschien moet ik hem afleiden met een moeilijke vraag. “Wat  is er allemaal anders bij jullie?” zeg ik, “Alles!” Maar wijken doet de jongen niet. Ik moet iets doen. Voorzichtig zet ik één hand in mijn zij, “Laat me er langs. Heb ik soms iets van je aan?!” En juist dan zakt zijn onderbroek langs mijn spillebenen af, ‘Oh nee!’ … “Ha! Je bent een piskind!” loeit de jongen en ik prevel:
– ‘Je bent een piskind. Ik ben een piskind, een …
– … piskind. Een piskind!’ en ik hijs zijn broek op, ‘… een piskind, ja: een piskind,’ tot onder mijn oksels hijs ik hem op, ‘ … zo’n vies kind, een piskind,’ mijn rijtje van drie voorbij, ik kan niet meer stoppen, ‘… jij lelijk piskind! Gatverdamme, ben ik dat ècht?! ‘Nee!’
– “NIETES!” Duizelig van woede dwarrelt mijn blik langs het behang omlaag over het kleurloze zeil tot aan het trapgat en daar begint de jongen. Ik hou mijn adem in!
Om twee veel te grote voeten draagt hij wit-met-rode voetbalkousen. Die waren in het tegenlicht zonet nog niet te zien. ‘Oh nee! Wit-rood! Keer om!’ sis ik. Maar ik kan niet langs hem heen.
– ‘Ik moet iets doen!’
“Je wilt van me af hè, rotjong! Jij bent ook al zo’n Einde-van-de-Wereld?! Ik heb je wel door!” en ik duik naar zijn knieën:
– ‘Rommeldebom-boem-bats!’ In drieën. Zo!

Ik loop door en ik tel. Alle keren dat ik als een boemerang in de randwijk terug geworpen werd, ‘Keer om!’ prevel ik keurig in de maat met
– iedere stap binnen de lijnen van
– rijen stoeptegels die
– zo onder mijn voeten door wegschieten! Nog even en ik ben bij de bakker. Daarna keer ik om. Naar de buurman met zijn pilonnen op de parkeerplaats achter. Wat hij verdomme wel niet denkt van wie de parkeerplaats is!

 

......

Advertenties

Over Switha Ro

Multidisciplinair theatermaakster met uitglijders naar Beeldende Kunst. 'De Vrouw breekt de buurt.'

Reacties

Een gedachte over ““WITROOD!”

  1. Dit is op getikteteksten herblogden reageerde:

    Ik herplaats deze vertelling. Met de mededeling dat ik ‘m opnieuw ga voordragen. Zoals in Maas – Ruimte voor kunst in april dit jaar te Nijmegen. Dit keer uit mijn hoofd. Project voor 2015. Met Eugène Flören (marimba) en Fred van Duijnhoven (drums). Ik ben al op één vijfde 🙂 Godfried Beumers regisseert mij.

    Liked by 2 people

    Geplaatst door Switha Ro | 24 oktober 2014, 5:51 pm

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Instagram

Summertime, time to read and think about what you've read. Love those non-picture subjects. This one I made standing on a chair, looking through our new window under the roof top. Still life with scooter and long distance sculpture, right in the centre. My daily view when I leave school. In my backgarden. Limoncello in nispero colors. We talked and dreamed about it, those endless harvests of nispero fruit in Spain, with good friends. Remembering Spain, Callosa & Valencia 😊. Hole in the tree. Nervous birdy-noise came out of it.
Follow getikteteksten on WordPress.com
juni 2014
M D W D V Z Z
« Mei   Jul »
 1
2345678
9101112131415
16171819202122
23242526272829
30  

Sites die ik volg

Voer je e-mailadres in om deze blog te volgen en om per e-mail meldingen over nieuwe berichten te ontvangen.

Doe mee met 267 andere volgers

MALOU BROUWER

REIZEN. BOEKEN. & MEER

Greet Ilegems

Author, Photographer, Master of engineering sciences, Trying to capture a dream, the poetry of earth, life...

Mirjam van Zelst

journalist en tekstschrijver

KadeGee

Sterke verhalen en bescheiden anekdotes over een leven in transit.

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

Gekwaak uit Kwakkelland

Mijn verbazing, vervoering en ontroering

Di's Storia

verhalen gedichten illustraties

Kaj zoals-ie schrijft

Scherpte, humor en tederheid

In scherpe bewoordingen

Door Adriaan Hendriks

getikteteksten

...van switha Ro...

Andere taal

(Franse) taalverhalen

traveledith

Edith op reis

Poëzie aan het Plafond

Alwaar de grens tussen Poëzie en Proza© filterdun is.

wltrrr

Onregelmatige berichten uit de wondere wereld van pers en media ter bevordering van haat en angst.

De Nieuwe S

Dennis Gaens

Toekomst

geïnspireerd worden is je de toekomst herinneren.

K's Blog

van alles en nog meer

marja wouters

in woorden

%d bloggers liken dit: