//
je leest...
Rosi | ta

Alles wat beweegt.

Het ingekorte verhaal bereikte de shortlist van de Nijmeegse Literatuurprijs 2017. Hier de definitieve versie.

grey-blue‘Meeuwen,’ zeg ik, ‘zilvergrijze meeuwen.’ Sinds mijn bezoek aan vaders graf, een maand geleden, ben ik veel zachter gaan praten. Bijna fluisterend. Je moet tenslotte, zo bleek, niet de goden verzoeken. Het is me niet voor niks gelukt de piep ver buiten mijn gehoor te houden sinds ik Bush in de ban heb gedaan.
Maar jee, op driehoog bij mijn moeder met alles potdicht slaat zelfs heesheid toe, al praat ik nog zo zachtjes. Met een kriebelige keel staar ik door het woonkamerraam, zittend in moeders te krappe fauteuil, naar buiten. Op de vensterbank glimlacht een familieportretje naar mij. Daarachter lijkt de geluidloze straat een diep weggezakte droom en de knalblauwe hemel erboven niet te peilen. In de brandschone keuken achter mij scharrelt moeder met kletterend servies, wat een herrie. Maar dadelijk krijg ik koffie. Met koek. Ik probeer me erop te verheugen.
Straks, bedenk ik me, moet ik vooral niets over mijn ontmoeting met tante Lina zeggen en toch iets leuks vertellen. Dingen die je zegt als je op bezoek bent, gezellig doen. Al was het maar iets aardigs over de asgrauwe flat aan de overkant. Twee schilders toveren die in een regenboogkleurig blok om. In een bakje zweven ze voor de blinde muur.
Iets aardigs over die flat… Ik schud mijn hoofd, want moeder houdt niet van felle kleuren. Misschien iets over die meeuwen dan? Daar kan ik vast en zeker ongestraft iets over kwijt. Dat ik ze foeilelijk vind, zal ik wijselijk inslikken. Mogelijk zal zij er alsnog iets lulligs over weten te zeggen, zo is ze wel. Ondertussen heb ik mijn droog geworden keel geschraapt.
‘Meeuwen mam. Van die zilvergrijze,’ punt. Meteen beginnen de rotzakken achter het vensterglas te klapwieken. Was ik misschien toch te luid? Ik knijp mijn billen samen en kijk voorzichtig achterom. Van mijn moeder is op dit moment alleen haar rug te zien. Ze rammelt maar door met koppen en schotels. Voor haar kan het klaarblijkelijk niet hard genoeg. ‘Ik zei meeuwen mam, van die zilvergrijze.’ Nu begint ze te urmen, mogelijk tegen dat schoteltje. Tegen mij heeft ze het zeker niet. Mama’s rug beweegt met kleine, driftige rukjes. Eén, twee, drie, tel ik er, maar stop dan pruttelig met een “weet ik veel”, voor haar niet te horen. Daarna draai ik me, nog steeds klem, naar het raam terug.
Aan de overkant schommelen de twee schilders in hun bakje. Met rollers gaan ze over het asgrauw, dat – per etage verschillend – rood, oranje, geel, tot helemaal onderaan, aubergine kleurt. Even soes ik weg. Ik begin zelfs te dromen. Op het puntje van mijn stoel zit ik in mijn droom tegenover tante Lina, middenin het kletterend geweld van de Coffee to go. Tante raast, tiert en rookt als een bezetene, of is het eerder paniek? Nee, besluit ik, het ziet eruit alsof ze verzuipt en met haar hoofd, snakkend naar adem, steeds korter boven water komt. Zelf krijg ik het er ook benauwd van; hoe lang moet ze dit in godsnaam volhouden?! Bezorgd begin ik de duur van haar teugen te tellen: één, twee, drie, maar verder kom ik niet. Mijn mond voelt als gummi en mijn adem als stroop. Het maakt me behoorlijk wanhopig, want zolang tante beweegt en ik tel is ze nog niet verzopen. Ik moet het volhouden.
Plotseling lazert in de Coffee to go alles om. Zodra ik opkijk, staat daar plompverloren mijn moeder achter de toog en smijt van alles stuk. “EEN, TWEE, DRIE!” brult ze door tantes verzuipangst heen. Ik schrik wakker en hap als een vis, terwijl ik roep: ‘Okay dan. Laat ik álles wat beweegt maar eens gaan tellen!’ alsof mijn eigen leven er vanaf hangt. Dan pas baant zich mama’s driehoog kletterend servies een weg naar mij. Met wijd open ogen aanschouw ik haar aanrecht en ben ik klaarwakker. Totaal de kluts kwijt zie ik haar rug met nog steeds die rukjes, onverstoorbaar. Heeft ze dan helemaal niets van mijn nachtmerrie meegekregen?! Hoe kan dat nou, vraag ik me af, zo doof kan ze niet zijn. Met een vertroebelde blik draai ik me naar het raam terug, naar dat glimlachende familieportret in de vensterbank en de straat in de diepte. Het duizelt me.
Maar wat een krankzinnig idee: tellen om te overleven! ‘Eén-twee-drie,’ opnieuw floept het eruit, nu als een gemeen zachte fwiep. Een scheet eigenlijk, die daarna triomfantelijk tegen het raam recht in mijn eigen spiegelbeeld ketst. Meteen rolt de hemel achter mijn gespiegelde gezicht als een golf op zee op me af. Oh nee, piep ik. Daarop – dat kan ik horen, want niets rammelt meer – draait mama zich om. Zal ze iets gaan zeggen? Iets als, “Maar die golf schiet je juist te hulp, Rosita. Hij spoelt langs de ruit en grabbelt jouw woorden mee tot ver achter de flat. Als kabbelende schelpjes mijn Roosje, niet meer en niet minder”. Troostvolle woorden van een echte moeder? Nee, ze draait zich gewoon weer terug en rammelt verder.
Een beetje verontwaardigd stemt mij dat wel; verbaast ze zich niet over mij?! En waarom springen mij nu de tranen in mijn ogen? Ik vecht ertegen en slik ze weg. Het zij zo, probeer ik, wat gaat het haar ook aan?! En mocht ze er alsnog naar vragen, zo meteen als ze de koffie brengt, heb ik me het telspel uit verveling opgelegd. Dát zou zij als geen ander moeten begrijpen.
Niet dat ik een dergelijke tekst over mijn lippen krijg.
Daarbij komt dat ik niet eens weet wát ik ga tellen; ik droom tenslotte niet meer, toch?! Van moeten overleven is trouwens ook geen sprake meer. Opnieuw werp ik een blik over mijn schouder, heel voorzichtig. Onhandig zie ik daar mijn moeder staan; ze slaat met een deksel op het aanrecht. ‘Hè toch,’ klinkt het, ‘hè!’ Eén, twee, nee: zelfs drie keer. Kijk, daar heb je het al, ik betrap mezelf op dwangmatig tellen. Ja, ik tel inderdaad alles wat beweegt, inclusief mama’s rukkende rug. Zelf zit ik klem in haar te krappe fauteuil en draai me moeizaam terug. Nu kijk ik naar buiten.
In de knalblauwe hemel fladdert intussen meer rond dan enkel meeuwen. Blaadjes bijvoorbeeld en verderop een plastic zakje. Mijn ogen zwemmen over het rood-oranje-geel van de flat tot op de aubergine kleurige muur beneden. Daarin klappert onhoorbaar een deur die naar de fietskelders leidt. Telt die mee? ‘Kut!’ zeg ik, heel zacht. Ik wrik me naar voren en kijk over het glimlachende familieportret heen de steeds dieper weggezakte straat in. Er rijden hier eigenlijk best veel auto’s, opmerkelijk vind ik: onverstoorbaar rollen ze heen en weer over visgraten klinkers, die ik bijna kan horen. Stil glipt er eentje tussenuit, de parkeerplaats op. En dan schiet met te binnen dat ik zelf ook met de auto kwam en dus bewoog?! Ik bijt op mijn lip. ‘Jezelf meetellen, da’s pas echt kut!’

‘Let op je woorden, Roosje!’
Wat?!

Ik verstrak, was ik toch te horen?! En waarom zegt moeder daar nu pas iets over!? Onverstoorbaar maakt het koffiepotdeksel een raspend geluid tot ie eindelijk past; zelf ben ik de tel van al haar pogingen tot het sluiten van welke theepot dan ook in haar leven kwijt. Eigenlijk, dringt intussen tot me door, is het dus vooral mijn moeder die al de hele tijd beweegt. Zo’n beetje op de plaats, aan het aanrecht, als in een slechte choreografie van een rukjes-dans, verder lijkt haar hele wereld stil te staan. Zal ik voor straf haar geruk mee gaan tellen? Nee nee, dat wordt echt te veel, en terwijl ik met minimale beweginkjes mijn hoofd schud, pas ik aan de binnenkant van mijn voorhoofd, als op de binnenkant van een grotje, onmiddellijk de spelregels aan. Om me daarop te concentreren, prop ik een vinger in mijn rechteroor. Daar gaat ie dan!
Punt 1, dat met die auto’s… Alles wat inparkeert of wegrijdt, telt vanaf nu niet meer mee! Ik grinnik eventjes. Zo moet het lukken: de tijd doden, onderwerpen vermijden, geen verkeerde dingen zeggen en vooral niets over tante Lina. Al met al zal ik zo dit bezoek goed overleven. Opgelucht leun ik achterover en open ik mijn ogen, scheert er verbijsterd achter het raam een meeuw voorbij. “En wij dan?!” Wat nu weer?! Meteen zit ik weer klem.
      Ik bijt op de duimnagel van mijn vrije hand. Nou moet ik vooral geen valse beloftes doen. Want eenmaal gezegd, blijken de meeste dingen waar. En als je al iets toezegt, moet je ook nog weten hoe. Het opdienen, met een toefje verfijnen of als hutspot op tafel kwakken al naar gelang de situatie. Papa bijvoorbeeld was meer van de hutspot en moeder, die streefde naar haute cuisine; slaande ruzie hadden ze vroeger daarover gehad. Dus de vlucht van een meeuw, ga ik die nu wel of niet meetellen? Ik weet het niet en van inspanning kleurt mijn gezicht. Ik moet een besluit nemen over dingen die gebeuren waarop ik geen antwoord heb, zoals de vlucht van een meeuw. Gewoon meetellen en bij deze punt 2? “Jij beheert de regels van het spel, Rosita. Je bent er een kei in. Eindeloos tellen, doortellen en meetellen, omdat je altijd alleen onderaan de flat uitstapt (zie punt 1, ik tel zelf dus níet mee). Maar één, twee, drie, waar is iedereen gebleven?! Je broer, je zus en vooral: je vader?” Hou op, krimp ik, wie in godsnaam praat er tegen mij?! Onmiddellijk prop ik ook een vinger in mijn linkeroor.
En ik hoor niet moeders komst, noch het minutieuze gerinkel van de kopjes in haar handen, uitgemikt het ene kopje links (dus het andere rechts) alsof ze op een koord balanceert. Ik hoor niet haar viltig schuifelende voetjes, muisstil en bijna bij de tafel met uitzicht op de hemel boven de grauwe flat aan de overkant. Dat ze aankomt met ingehouden adem, de kopjes waterpas, zonder te morsen, ik hoor het niet. Nog minder het ritselen van haar katoenen blouse, terwijl ze voorzichtig vooroverbuigt naar mijn achterhoofd en boven mijn linkeroor. Ik hoor het niet, haar ademtocht niet. Niet eens even.
‘Wat wil je erbij, Rosita?’
‘KUT!’ Ik schiet uit de fauteuil, maar het kloteding klemt en komt mee van de grond; ik móet wel met mijn armen zwaaien. Met een boog slingert het ene kopje tegen de ruit die barst, het andere kletst koffie in het glimlachende familieportret. Recht daarachter krijst die meeuw door het glas. Wat een rotstreek: het beest bevrijd schaterlachend de piep in mijn oor.

Heb ik, na de ergste schrik, moeder daadwerkelijk in haar eigen fauteuil tegenover de mijne gezet? Geen idee. Hè toch, had ze geurmd en haar polsen als slappe teckels over de leuning gedrapeerd. Op de vensterbank de afschijn van het portretlijstje: een wit richeltje in een koffiebruine plas.

Ik hervond mezelf aan moeders aanrecht, staarde naar het glimlachende familieportret. Ik onderaan als baby op een kleedje, en zij, mijn moeder, hogerop achter mij met papa. Broer en zus wat meer aan de zijkanten tussen de baby en haar ouders in. Wij kinderen, zo ging het verhaal, hadden griep. Misschien dat we daarom, toch met de mondhoeken omhoog, zo verpieterd oogden. Ooit wonderschoon ingekleurd, die foto, droop hij nu van de koffie. Aan het aanrecht probeerde ik te redden wat er te redden viel. Met kleine rukjes haalde ik er een vaatdoekje overheen – één, twee, drie – in welke maat de piep zing-zangend meedeinde.
Over de ontmoeting met tante Lina wist ik na dit debacle nog steeds in alle talen te zwijgen. Bovendien had moeder iets anders aan haar hoofd. Toen ik haar drie maand eerder opbiechtte dat Porky en ik naar het platteland zouden verhuizen, ver van de stad en dus ook ver van haar driehoog uitzicht op een toen nog fletse flat, sloeg een gloeiend stilzwijgen genadeloos toe. Uit de sintels van de uren durende stilte steeg in rookslierten een smeulend verwijt op bij ieder bezoek, maar toen “dit ook nog”! Als het ware had ik haar stilzwijgen met koffie overgoten en teniet gedaan. Desondanks wisten we samen het gesprek over onze aanstaande verhuizing naar het Hoge Noorden als de pest te mijden. Natuurlijk had ik kunnen uitleggen dat wij niet om haar vertrokken, maar vanwege Sylvians eerste vlucht naar de andere kant van de wereld. Nog net op tijd hield ik ook dit onderwerp van gesprek in, als een onderdrukte boer. Niet zozeer om haar te sparen, maar omdat me te binnenschoot dat zij ook mij, heel lang geleden, heeft moeten uitzwaaien. Ze zou eens meewarig haar schouders kunnen ophalen en kunnen zeggen, “Dat overleef je wel, Rosita. Kijk maar naar mij. Misschien ben ik verzuurd – noem het voor mijn part eenzaamheid – maar je overleeft het.”

Uit ‘Rosi | ta’, een serie verhalen over teveel waarheden.

Advertenties

Over Switha Ro

Multidisciplinair theatermaakster met uitglijders naar Beeldende Kunst. 'De Vrouw breekt de buurt.'

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Instagram

Er is een fout opgetreden bij het ophalen van je afbeeldingen vanuit Instagram. Over enkele minuten wordt er een nieuwe poging gedaan.

Follow getikteteksten on WordPress.com

Sites die ik volg

Voer je e-mailadres in om deze blog te volgen en om per e-mail meldingen over nieuwe berichten te ontvangen.

Doe mee met 314 andere volgers

Advertenties
een letterleven

na burn-out

Lege Handen

Verhalen voor jong en oud

MALOU BROUWER

REIZEN. BOEKEN. & MEER

Greet Ilegems

Master of Science, Author & Publisher of the YA SF Hybrid-series, Photographer, Trying to capture a dream, the poetry of earth, life...

Mirjam van Zelst

journalist en tekstschrijver

KadeGee

Sterke verhalen en bescheiden anekdotes over een leven in transit.

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

Gekwaak uit Kwakkelland

Mijn verbazing, vervoering en ontroering

Di's Storia

verhalen gedichten illustraties

Kaj zoals-ie schrijft

Scherpte, humor en tederheid

In scherpe bewoordingen

Door Adriaan Hendriks

getikteteksten

van Switha Ro

Andere taal

(Franse) taalverhalen

traveledith

Edith op reis

wltrrr

Onregelmatige berichten uit de wondere wereld van pers en media ter bevordering van haat en angst.

De Nieuwe S

Dennis Gaens

Toekomst

geïnspireerd worden is je de toekomst herinneren.

marja wouters

in woorden

KakelVers Dichtwerk

Voormalig stadsdichter van Capelle aan den IJssel. Schrijft, dicht, performt, bestormt.

%d bloggers liken dit: