//
je leest...
Rosi | ta

‘Weg!’

Oldebroek 1964 ?Na het beroerd uitpakkende bakje koffie met Tante Lina vlucht Rosita de stad uit en stopt onderweg bij het kerkhof waar haar vader begraven ligt.

Achterin onze auto heb ik standaard een paar rubberlaarzen liggen. Je weet maar nooit: voor die ene stortbui of een lekke band in de wildernis. Eigenlijk wilde ik na de ontmoeting met tante Lina uitwaaien aan zee, op mijn laarzen – nu blijk ik van blinde woede in oostelijke richting te zijn afgeslagen. Het zij zo, sus ik mezelf, ik ken genoeg plekken waar ik stoom afblazen kan. Papa‘s graf bijvoorbeeld ligt in het midden van het land. In de oude polder.
Met deze geruststelling doemt onverwijld zijn laatste stek voor mijn geestesoog op – dan begint het onverwacht hard te regenen. Grijs water druist uit de hemel, waardoor het vlakke, uitgestrekte polderlandschap dat ik mijn fantasie hoopte af te troggelen vertroebeld raakt. Onmiddellijk tikt paniek achter mijn ribben. Want anders zo prompt en frisgroen, verzuipt mijn herinnering aan zijn graf totaal in de plensbui. Ontsteld laat ik het aan de ruitenwissers over, laat de rubbers me een weg naar mijn herinneringen banen. Godzijdank komen ze met iedere veeg naderbij, tot, ter hoogte van een snelwegrestaurant, alles in één klap boven komt drijven. Maar ik ben niet gerust. Ik monster het beeld in mijn hoofd met wijd open ogen; weliswaar ziet het er, liggend tussen een rij opgetuigde graven, vertrouwd kaal uit – zonder zerk of grafplaat, meer bemost dan met gras – toch ligt het lager, nee dieper dan ik me herinner. Is het soms aan het verzakken?! Een dergelijk storende gedachte wil ik even niet; ik schud die driftig van me af. Voor nu, besluit ik, geef ik gewoon de regen alle schuld. In ieder geval zal ik straks in de drassigheid mijn laarzen goed kunnen gebruiken. In de achterbak wachten die heel geduldig op mijn koude voeten.
Grappig hoor, gewapend met rubberlaarzen durf ik de hele wereld aan. Een in-geval-van-nood gewoonte uit moeders verleden: alle drie hadden we, naast sandalen voor de zomer en degelijk winterschoeisel, altijd rubberlaarsjes. Om het hoekje stonden ze, in onze bedompte schuur, op een rijtje met proppen oude krant erin tegen het vocht. Nooit veranderde de kleur in de loop der jaren, alleen de maat. In mijn kinderlijke beleving hoorden papa’s en mama’s laarzen, iets hoger op een schap, een plaatsje op het beton aan weerszijden van de onze te hebben. Staand op mijn tenen trok ik de looiige krengen er telkens weer hardnekkig vanaf. Grote mensen beschermen de kleintjes. Verder puzzelde ik er niet al te veel over, evenmin over mama’s net zo hardnekkige terugplaatsen, op die schap erboven waar ze, wat háár betreft, hoorden. Om de haverklap kwam de hele mikmak in papa’s tweedehandse auto terecht.
Inderdaad startten wij, op een mooie dag in een zonovergoten weekend, de gewoonte uit rijden te gaan. Voor de rijtjeshuisbewoners in onze straat, die in de rafelende rand van een lintdorp tussen de ‘zwarte kousen’ lag, een vloek: die grijsgroene, bultige Opel Olympia tegen de sobere stoeprand van hun fatsoen geplakt. Op zaterdagen, tuffend naar een iets grotere vlek met een echte supermarkt, viel het ritje nog wel bij de buren te verdedigen. Maar iedere zondag sloeg ongenadig hard hun oordeel toe. Straffe blikken achter de geraniums keken ons na, exact twee tellen na het dichtslaan van de logge autodeuren. Startte papa snuivend van verontwaardiging de motor – hij had ze wel gezien! – tikte de buurvrouw links met haar trouwring vinnig op de ruit en trok die van rechts woest de gordijnen dicht.
Ik, die nooit stilzitten kon, kronkelde me in de eerste schok van het wegrijden achterstevoren en zwaaide van opwinding terug. Waarop mama snerpte dat ik onmiddellijk moest gaan zitten, anders “dreigde er wat”. Met gloeiwangetjes voorzag ik dat het glaasje prik, als lokmiddel voor de steeds langer durende ritjes, eindigend bij de één of andere uitspanning
– op de hei,
– in de polder,
– aan de zoom van een bos,
– langs de rivier,
– tussen de meren,
aan mijn neus voorbij zou gaan, als ik niet gauw op mijn billen ging zitten.

Voor mijn vader, mijmer ik achter het stuur van onze Opel Astra, moet wat tegenstrijdigs in het steeds regelmatiger gebruik van die eerste auto gezeten hebben. Het liefst immers struinde hij over de velden, soppend door de oude polders in het verlengde van ons dorp. Alles deed hij te voet. Of op de fiets. Fluitend. Waarom uit rijden?
Over de motorkap uitkijkend naar de verglijdende driebaansweg, de links en rechts voorbij zoevende auto’s, rijdt het antwoord in metaalkleuren met me mee: aan alle kanten word ik ingehaald; wie wilde nou niet deel hebben aan de pompende welvaart?! Verongelijkt haal ik mijn schouders op.

Wat mijn ouders betreft, reed ongemerkt de eerste pijn van hun huwelijk op de hoedenplank mee. Op de één of andere manier begon mijn moeder aan mijn vaders geweten te knagen (of papa aan het hare). Iets liep er niet – maar op de bultige Olympia konden mijn ouders vertrouwen, 37 pk’s die als geroepen kwamen. Met zijn vijven dicht opéén leek ons gezinsgeluk zich vooral in afgelegde kilometers uit te drukken en in best aardige, voorbijglijdende landschapjes.
Onrustig op zondag, na de krampachtig ingetogen zit in de kerk, wilde mijn vader steeds vaker de boel ontvluchten. Dan riep hij, ‘Laten we de polder vandaag eens vanaf de andere kant bekijken, haha!’ en hop, schoof iedereen de Olympia in, haha. In feite brachten we voor de tweede keer die dag een offer door alweer verrekte lang stil te moeten zitten. Het leek alleen niet zo, vanwege die landschapjes links en rechts.
Wij drieën begonnen de tochtjes steeds vaker ruziënd over wie er in het midden moest, terwijl mama voorin haar tengere hand krampachtig om de greep klemde. Voor haar was het om het even waarheen we reden, zolang ze voor een paar uur verlost werd van “dat oord”: het krappe rijtjeshuis met die donkere achtertuin, waar de buurt haar te grazen nam met kluiten aarde op haar stralend witte wasgoed. De uitstapjes kwamen voor ons kinderen telkens op hetzelfde neer: ingeblikt en daarna als losgeslagen wild denderend over de velden. Dit alles met koude, klamme voeten in rubberlaarzen. Die mochten best vies worden, wijzelf absoluut niet. Eigenlijk heb ik een hekel aan rubber, laarzen zijn echte krengen. Je krijgt er zweetvoeten van of schuurplekken aan je kuiten. Maar ja, makkelijk is het wel.

Papa’s graf ligt halverwege de route randstad en thuis, tussen sloten en soppige weilanden. Het is er stil. Ik scharrel er altijd een beetje rond en droom heerlijk weg. Op een gegeven moment zie ik hem, mijn vader, zelfs altijd voor me. Met een schop, een leeg jampotje om pieren te trekken en ja: op rubberlaarzen. Daar kan ik op wachten.
Het lukt me gemakkelijk hem daar in zijn natuurlijke omgeving voor te stellen. Dat geeft me troost. Ik maak het droombeeld compleet door mezelf als een pionnetje tegenover hem te zetten, een metertje of zes verderop. Dan raak ik met mezelf in gesprek. Ik bedoel in gesprek met mijn jongere zelf: jij, Rosi – waar ben je trouwens? We praten over papa en hoe het hem keer op keer lukt om een jampotje vol pieren te krijgen. Tussen ons tweeën mag alles gezegd worden, wel ben ik het die altijd als eerste begint. Dat is onze enige spelregel.
‘Daar staat papa weer, net zoals toen,‘ zeg ik dadelijk en ik zal van plezier kleur op mijn wangen krijgen, ‘Kijk eens, Rosi,’ zal ik vervolgen, ‘zijn rubberlaars staat haaks op de schop.’ Ik verzin ondertussen poëtische zinnetjes als “Stoom dampt uit zijn neusgaten, zodra hij het blad in de grond duwt”. Met dergelijk zorgvuldig gekozen zinswendingen praat ik hem in mijn werkelijkheid terug. Ik spreek trouwens nooit hardop, als ik de zinnen met gesloten ogen proef, werkt het beter. Maar het begin ken ik uit mijn hoofd:

‘Dat smeuïge tsjik-geluid waarmee het ding diep in de klei wegzakt. Hoe daarna, voordat zijn laars opwipt, zijn neusvleugels bollen. De zool raspt over het ijzer en landt vlak achter de steel in de klei. Flats! Zo’n natte, kleffe stap. Als in een koeienvlaai. Natuurlijk moet ik giechelen, tenslotte ben ik nog maar zes. En ik draag ook laarzen, nieuwe. Ze glimmen. Kijk maar!’

Mooi hè, Rosi?!
Daarop zal jij reageren met iets kleins. Je giechelt of bloost een beetje, antwoordt in korte zinnetjes of herhaalt wat ik zeg. Samen genieten we een poosje van papa en word ik sentimenteel. Op dat moment zal jij met je helderblauwe ogen naar me opkijken, stil worden en je warme knuistje in mijn verkleumde hand proppen. En met de wegtrekkende kou los ook jij op, net zoals onze naar pieren spittende vader.
Dat is het spel, van mij en van jou, Rosi. Zo meteen op het kerkhof een kersverse aflevering; dat zal ze leren: mijn tante, mijn moeder en de hele uitgestorven generatie erboven. Wat een bende hebben ze ervan gemaakt. Laat ik het beter doen.
‘Rosi?!’
Ik snap haar wel: ze is van slag, net als ik. ‘Och meiske,’ sus ik, ‘het komt wel goed. Zodra de drukte van de randstad achter ons ligt, zal ik voor jou en mij een cd in de speler proppen. Even ontladen.’
Een autosessie joelen zal helpen, een paar hoge C’s rondzingen. Dat is in een kooi van Faraday, die met 140 kilometer per uur over de snelweg raast, geen enkel probleem. En ik denk dat het Kate Bush, die ik voor ons beiden tastend in de speler schuif, weinig zal kunnen schelen dat we een poging wagen, zolang ze ons niet in het echt hoeft te aanhoren.
In de laatste seconden van Waking The Witch trek ik strak getimed mijn onderkaken in om mijn kopstem te bereiken. Een loepzuivere iiiiiiii ontsnapt me, ketst tegen de voorruit en slingert zichzelf als een boemerang terug in mijn linkeroor.
En daar blijft het.
Zelfs door mijn linker hoofdhelft, tot achter mijn oog, cirkelt de kristalheldere toon rond, die hoge C en het doet pijn. Het zal toch wel weggaan, bid ik, het zal tijdelijk zijn?! Maar onmiskenbaar raak ik de kluts kwijt en mijn wenkbrauwen beginnen uit zichzelf te fronsen. Ze werpen een barricade op tussen wat ik vanbinnen hoor en vanbuiten doe: scheuren naar mijn vaders graf in de polder om een spel met Rosi te kunnen spelen, die trouwens zich nog steeds niet meldt. Ik schik en schuif wat met mijn billen over de chauffeursstoel, terwijl ik de cd harder zet en druk onverdroten met mijn voet op het gaspedaal. Om rust te vinden.

Uit ‘Rosi | ta’, een serie verhalen over teveel verschillende waarheden.

Advertenties

Over Switha Ro

Multidisciplinair theatermaakster met uitglijders naar Beeldende Kunst. 'De Vrouw breekt de buurt.'

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Follow getikteteksten on WordPress.com

Sites die ik volg

Voer je e-mailadres in om deze blog te volgen en om per e-mail meldingen over nieuwe berichten te ontvangen.

Doe mee met 311 andere volgers

Advertenties
een letterleven

na burn-out

Lege Handen

Verhalen voor jong en oud

MALOU BROUWER

REIZEN. BOEKEN. & MEER

Greet Ilegems

Master of Science, Author & Publisher of the YA SF Hybrid-series, Photographer, Trying to capture a dream, the poetry of earth, life...

Mirjam van Zelst

journalist en tekstschrijver

KadeGee

Sterke verhalen en bescheiden anekdotes over een leven in transit.

Jonas Bruyneel

Literatuur/Journalistiek/Muziek

Gekwaak uit Kwakkelland

Mijn verbazing, vervoering en ontroering

Di's Storia

verhalen gedichten illustraties

Kaj zoals-ie schrijft

Scherpte, humor en tederheid

In scherpe bewoordingen

Door Adriaan Hendriks

getikteteksten

van Switha Ro

Andere taal

(Franse) taalverhalen

traveledith

Edith op reis

wltrrr

Onregelmatige berichten uit de wondere wereld van pers en media ter bevordering van haat en angst.

De Nieuwe S

Dennis Gaens

Toekomst

geïnspireerd worden is je de toekomst herinneren.

marja wouters

in woorden

KakelVers Dichtwerk

Voormalig stadsdichter van Capelle aan den IJssel. Schrijft, dicht, performt, bestormt.

%d bloggers liken dit: